Boek ‘Subsidie, camera, actie!’ open access

My book on the history of Flemish film policy, ‘Subsidie, camera, actie! Filmbeleid in Vlaanderen (1964-2002)’ (in Dutch only), is now made open access. You can download it here.

Mijn boek Subsidie, camera, actie! Filmbeleid in Vlaanderen (1964-2002), dat in oktober 2017 verscheen, is vanaf heden open access beschikbaar. Je kunt het boek hier gratis downloaden. Het boek biedt een historische analyse van het Vlaamse filmbeleid tussen 1964 en 2002, met bijzondere aandacht voor de relatie tussen film, overheidsbeleid en Vlaamse identiteitsvorming.

cover boek

 

 

Young Scholar Award

Thursday evening, I was awarded the NeFCA Young Scholar Award! The biannual Young Scholar Award is an initiative of the Netherlands Flanders Communication Association (NeFCA) and honours the accomplishments of young doctors who “succeed in combining their individual academic career with contributions to the discipline of communication and media research”. The award ceremony took place at the Etmaal van de Communicatiewetenschap, this year organized at Ghent University by Stijn Joye and his team.

NeFCA award

Chair of the jury Tonny Krijnen (EUR) handing over the award

Report on Film policy symposium

In June 2017, I was invited by John Hill (Royal Holloway, University of London), Nobuko Kawashima (Doshisha University and Tokyo University, Japan) and Paul McDonald (King’s College London) to attend the symposium ‘Film Policies in Transition: Globalization, Digitization, Protectionism’ at King’s College in London. I wrote a report on this symposium, which is now published in Alphaville: Journal of Film and Screen Media. You can download the report here.

Alphaville

After the publication of the edited book Reconceptualising Film Policies, this symposium, which was related to a special issue of the International Journal of Cultural Policy on film policy, is further evidence for the fact that the long neglected field of film policy studies is currently burgeoning …

Publication on film policy and media convergence

For the first time since Albert Moran’s 1996 volume Film policy, a new edited volume focusing on film policy has been published. Reconceptualising film policies (Routledge) is edited by French scholars Nolwenn Mingant (Université de Nantes) and Cecilia Tirtaine (Université Paris III – Sorbonne Nouvelle) and features a chapter that I wrote together with my PhD and postdoc supervisors Daniël Biltereyst, Philippe Meers and Roel Vande Winkel. The chapter is titled From film policy to creative screen policies and focuses on media convergence and film policy trends in Flanders. You can read the full chapter here.

Book cover reconceptualising film policies

The article starts from the observation that in recent years, digitization processes and media convergence trends have changed the film industry in various ways. Scholars have indicated various alterations in the aesthetics, production, distribution, exhibition and reception of films, thereby pointing at new technological possibilities and challenges, an increasing participatory cinema culture, changes in the broader creative and economic strategies of film and media companies and an overall convergence between film and other media. The expansion of film industry activities from film to various other media has a long history. Media convergence trends, however, have recently intensified this expansion. In a European context, the role of film policy is particularly relevant in this respect, as film policy forms a crucial cornerstone for the organization of European film industries.

By focusing on recent developments in Flanders (the northern, Dutch-language region in Belgium), this case study examines how, in tune with digitization and media convergence processes, government film policy in Europe has increasingly expanded its scope. More specifically, we analyse how film policy has evolved from a focus on the production of films into a more complex set of policy measures towards ‘creative screen media’ production. With this case study, we argue that contemporary film policy should be seen within the broader media environment and media policies, which are characterized by the growth of a conceptual and practical convergence between various (old and new) media, information and communication technologies and creative arts. This transition process is not ‘new’ as such, but has remarkably intensified since the turn of the millennium. Indeed, the evolution from film policy to broader creative screens policies runs parallel with and is connected to a more general shift in government policy (in Flanders and elsewhere), from a ‘cultural’ to a ‘creative’ industries policy paradigm.

Stranger in Paradise

Following a screening of ‘Stranger in Paradise’ (2016) and interview with the director Guido Hendrikx at deBuren, I wrote a text on the film for Kinoautomat (in Dutch).

Onlangs vertoonde deBuren Stranger in Paradise. Op het snijvlak tussen documentaire en fictie onderzoekt Guido Hendrikx in deze film de Europese kijk op de vluchtelingenkwestie. In dezelfde beweging roept de film diverse ethische mediavraagstukken op.  Na de vertoning mocht ik in gesprek gaan met de regisseur. De film ging me niet in de koude kleren zitten, wat uitmondde in een tekst die op het cinefiel platform Kinoautomat verscheen. De tekst kan je hier lezen, alsook hieronder.

stranger-in-paradise.20170912032253

‘Mijn grootvader ontvluchtte Europa toch ook niet na de Tweede Wereldoorlog, toen alles in puin lag en er overal armoede heerste? Nee, hij nam zijn verantwoordelijkheid en hielp mee aan de opbouw van de welvaartsstaat. Daarom moeten jullie nu ook niet hier komen profiteren, neem jullie verantwoordelijkheid en ga terug naar jullie land. Wir schaffen das nicht.’

‘Europa is rijk geworden door de koloniale uitbuiting. Het is hoog tijd dat er een compensatie komt, een herverdeling van de rijkdom. Jullie komst vormt net een verrijking voor onze cultuur.’

‘Je komt uit Ghana en je bent op zoek naar een beter leven? En je bent geen homo? Sorry, je asielaanvraag is afgekeurd. Je komt uit Syrië en je ontvlucht de oorlog? Proficiat, je krijgt een verblijfsvergunning voor vijf jaar.’

 

Aan het woord is driemaal dezelfde leraar die telkens een groep migranten aanspreekt. In de eerste act neemt de leraar een afwerende houding aan: migranten zijn niet welkom in Europa. In de tweede act doet de leraar zich voor als een schuldbewuste, solidaire linkse jongen. In de derde act simuleert hij een asielprocedure, geheel volgens de officiële Nederlandse voorschriften. Door een fictieve leraar (gespeeld door de Vlaamse acteur Valentijn Dhaenens) uiteenlopende Europese houdingen tegenover migratie te laten vertolken, zoekt de Nederlandse regisseur Guido Hendrikx in Stranger in Paradise (2016) de grenzen op tussen fictie en non-fictie. Het documentaire element (waar de film uiteindelijk toch op vastgepind wordt, getuige zijn selectie als openingsfilm van het prestigieuze IDFA – International Documentary Film Festival Amsterdam) zit hem in het feit dat de leraar lesgeeft aan echte, net in Sicilië toegekomen vluchtelingen. De confrontatie van een fictieve leraar met echte migranten vormt de originaliteit en de sterkte van Stranger in Paradise, maar roept ook veel vragen op, over politiek én over media-ethiek.

Via de metafoor van de leraar en leerlingen in een klaslokaal biedt de film een reflectie over de machtsverhouding tussen Europa en de asielzoekers. We krijgen drie compleet verschillende politieke houdingen tegenover de vluchtelingenkwestie voorgeschoteld (rechts-emotioneel, links-emotioneel, administratief-zakelijk), maar ze vertrekken wel telkens vanuit eenzelfde westerse machtspositie. Doordat de acteur werd gescript en de ‘zichzelf spelende’ migranten niet, wordt de machtsverhouding zelfs tot op het filmdramatische niveau doorgetrokken. Bovendien krijgt de leraar als incarnatie van Europa drie gezichten, terwijl de migranten één homogene groep blijven. Stranger in Paradise gaat dan ook niet over migranten, maar wel over de bevoorrechte westerse blik op migranten.

Op dit vlak krijgt de film nog een extra laag door de epiloog. Hierin neemt Valentijn Dhaenens, ditmaal uit zijn rol als leraar en klaar om terug naar de Lage Landen te reizen, een eerder onverschillige houding aan tegenover de migranten. Hij legt hen uit met welke middelen de film gemaakt wordt (“We kregen een subsidie van 180.000 euro. – Zoveel geld! – Och ja, dat is een normaal budget voor dit soort film hoor”) en hoe hij op filmfestivals zal worden vertoond. Guido Hendrikx, die zijn film opent met een fragment uit een vroege Lumièrefilm (L’Arrivée d’un Train, 1895), stelt zich zelfreflexief op: hij erkent dat hij een westerse man is die een film maakt met een westerse man in de hoofdrol voor een westers publiek. De asielzoekers in de film zijn essentieel, maar tegelijk ondergeschikt. Na de film scheiden hun wegen en kan de regisseur overal ter wereld filmfestivals afschuimen, terwijl de migranten nog steeds amper bewegingsvrijheid hebben.

De ethische kwestie die Hendrikx hiermee expliciet opwerpt, wordt nog versterkt door de performance van de acteur: de filmmakers grijpen in in het leven van de emotioneel beladen migranten en zorgen voor dikwijls harde confrontaties. Deze manier van werken herinnert aan discussies over andere performancedocumentaires die de westerse superioriteit deconstrueerden door middel van provocerende interventies van de filmmakers, zoals Enjoy Poverty: Episode III (2008) van Renzo Martens of The Ambassador (2011) van Mads Brügger (net als Stranger in Paradise waren ook deze films trouwens openingsfilms van het IDFA). De performance zorgt ervoor dat de films heel wat provocerender en daardoor doeltreffender, maar ook wranger zijn dan de meer traditionele documentaires, die vaak een sentimentele toon krijgen in de focus op het harde migrantenleven.

Hendrikx tracht zich ethisch zoveel mogelijk te verantwoorden door prat te gaan op de accuraatheid van de interventies: de verschillende houdingen en confrontaties zijn gebaseerd op gedegen research. Deze zijn realistisch en lijken daardoor verantwoord. Nog belangrijker is de transparantie die de regisseur aanhield tijdens de opnames: de migranten werden op voorhand ingelicht dat de leraar een acteur was die een bepaalde houding zou aannemen. Bovendien reflecteert Stranger in Paradise expliciet over de ethische vraagstukken die het maken van films over kwetsbare groepen oproepen.

Deze werkprincipes en zelfkritiek sieren Hendrikx, maar de vraag is natuurlijk of dit volstaat. Is een filmmaker minder schuldig wanneer hij eerlijk toegeeft dat hij de westerse culturele elite bedient door middel van migranten die nooit op de westerse filmfestivals zullen geraken om zichzelf in de film te zien? Bestaat er überhaupt wel zoiets als een volledig ethisch verantwoorde documentaire? Is het enige alternatief dan geen film? Dit zijn vragen waar geen eenvoudig antwoord op te geven valt. De sterkte van de film is dat hij je dwingt tot reflectie over deze en andere vragen. Tegelijk komt het besef des te harder binnen dat enkel wij, de geprivilegieerde mensen die deze film kunnen zien, hier profijt uit halen.